Parameters, Argumenten en Return-waarden
Doelstellingen
- Begrijpen hoe je functies flexibeler maakt met parameters.
- Leren hoe je functies waarden kunt laten teruggeven met
return. - Toepassen van deze concepten in je eigen code.
Inhoud
Parameters en Argumenten
- Parameter: Een variabele in de functie-definitie die een waarde verwacht.
- Argument: De daadwerkelijke waarde die je bij het aanroepen aan de functie doorgeeft.
Voorbeeld met parameters:
def begroet(naam):
print(f"Hallo, {naam}!")
Functie aanroepen met argument:
begroet("Sophie") # Output: Hallo, Sophie!
Functie met meerdere argumenten:
def vermenigvuldig(a, b):
resultaat = a * b
print(f"Het resultaat is: {resultaat}")
vermenigvuldig(5, 3) # Output: Het resultaat is: 15
Return-waarden
Een functie kan een waarde teruggeven met het return sleutelwoord.
def oppervlakte_cirkel(r):
return 3.1415 * r ** 2
opp = oppervlakte_cirkel(5)
print(f"De oppervlakte is: {opp}")
Activiteiten
-
Oefening:
- Schrijf een functie
is_even(getal)dieTrueteruggeeft als het getal even is enFalseals het oneven is.
- Schrijf een functie
-
Challenge:
- Maak een functie
bereken_btw(bedrag, percentage)die de BTW berekent over een gegeven bedrag en percentage.
- Maak een functie
Tips
- Functies kunnen meerdere parameters hebben; scheid ze met komma's.
- Je kunt meerdere waarden teruggeven met
return, bijvoorbeeldreturn a, b.